Iets onvoorziens

Datum
Onderwerp
Nico catsburg

In zijn ‘belijdenissen’ heeft de kerkvader Augustinus (354-430) het over zaken die kunnen gebeuren in ons leven die wij niet zo bedacht hadden of gehoopt hebben, maar wel ons ten deel vallen. Dit soort zaken kunnen we in onze bediening of taak ervaren en als ze gemakkelijk negatief te interpreteren zijn, dan kan dat nogal hard aankomen. Je bent goedsmoeds begonnen aan je taak en binnen de kortste keren lijkt de stormbal gehesen te worden, alles moet vastgesjord worden en de luiken worden gesloten. Je krijgt de wind van voren, en mensen met wie je werkt lijken een manier van communiceren te hebben waar het Engelse parlement nog een puntje aan kan zuigen, in negatieve zin dan. Dat had je van tevoren niet bedacht, maar schijnbaar laat God dat toe in je leven, Augustinus heeft het dan zelfs in relatie tot deze zaken over Gods bevel.

Augustinus schrijft in Belijdenissen III,ix,17: ‘Wanneer U (God) plotseling iets ongewoons of onvoorziens beveelt. Wie twijfelt er dan aan of het gebeuren moet? Want ook al had U het vroeger verboden, en al houdt U de reden van wat U beveelt voor een tijd verborgen, ook al is het tegengesteld aan wat een gemeenschap van mensen afgesproken heeft. Welgelukzalig zijn zij die weten dat U het bevel gegeven hebt.’

Het lijkte een beetje vreemd dat Augustinus je welgelukzalig noemt als er herrie in de tent is en mensen zich niet houden aan wat min of meer, vooral in de omgang met elkaar, afgesproken is. Zijn schrijven geeft een beeld dat we een situatie als negatief kunnen ervaren, maar die positief bedoeld is door God. Wel raar, iets waar je niet blij van wordt zou je, als je beseft dat God het bevel gegeven heeft, gelukkig moeten maken. Ik kan mij zo voorstellen dat menigeen niet begrijpt wat Augustinus nu wil.

In de bijbel hebben we het verhaal van Job. Hij raakt al zijn kinderen en bezittingen kwijt en zelfs zijn gezondheid. Als Job in het stof en vuil zich met een potscherf zit te krabben zegt zijn vrouw: ‘Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God toch en sterf.’ Zij kan het niet meer aanzien hoe haar man lijdt, de rijkdom die ze met Job had in kinderen en geld is verdampt, verdwenen, ook de positie die ze hadden is hun ontnomen en ze communiceert dat op een niet zo aardige wijze. Maar Job zei tegen haar: ‘Je woorden zijn de woorden van een dwaas. Al het goede aanvaarden we van God, zouden we dan het kwade niet aanvaarden?’

Nu geloof ik niet dat al het kwade, alle dingen die we als slecht ervaren, van God komen. Maar als Augustinus het over een bevel heeft, en misschien wel uit eigen ervaring spreekt, komt hij dicht bij wat Job zegt. Wat doen wij hiermee? Ik denk dat wij worstelen met wat Augustinus aanhaalt als hij schrijft dat bepaalde dingen moeten gebeuren, ‘al houdt U de reden van wat U beveelt voor een tijd verborgen.’ Zit er een verborgen boodschap in iets onvoorziens dat wij meemaken en als negatief ervaren?

Nico Catsburg